Celestial pearldanio, Hemelse pareldanio (Celestichthys Margaritatus)


De benaming van dit mooie visje spreekt al voor zich, maar het visje is bekender onder de naam “Galaxy” rasbora. De Amerikanen noemen het visje “Firecrackerrasbora”, tja je interesse wordt op deze wijze wel erg geprikkeld, vandaar dat ik en vele andere aquarianen, vorig jaar zeer benieuwd was naar dit toen pas ontdekte visje met zulke tot de verbeelding zijnde benamingen.

   
Klik voor een grote foto
Augustus 2006, Myanmar het voormalige Birma, op zo’n 1040 meter hoogte boven de zeespiegel niet in maar nabij het vermaarde Lake Inlé waar endemische soorten zoals de Sawbwa resplendens onder aquarianen bekend is, wordt in een van de vele zwaar begroeide poeltjes vlak bij Hopong Town een visje ontdekt wat toen nog bij duizenden rondzwom en aquarianen over de hele wereld de daarop volgende maanden in de ban hield. Kamphol Udomritthiruj, werkzaam bij een Thaise visgroothandel en mede ontdekker van dit visje, beseft dat hij de vangplaats geheim moet houden omdat de soort na inspectie blijkbaar nergens anders voor komt dan in deze slechts 30 cm ondiepe poeltjes. Hij plaatst begin september als teaser een foto van een groepje gevangen “Microrasbora sp. Galaxy”. Deze foto sloeg in als een bom, “Wow!!” “Stunning fish “,”They look amazing!”, “Incredible” etc etc. sommigen vertrouwden het niet en dachten zelfs dat hij met photoshop de boel aan het bedonderen was. Mondjesmaat werden de eerste zendingen van deze prachtige visjes aan de aquariumwinkels aangeboden, er ontstond echt een run op dit visje dat telkens uitverkocht was, de Engelsen en Duitsers kregen in oktober als eersten in Europa de Danio’s in handen. Op Amerikaanse site’s werden de Firecrackerrasbora’s al per opbod aangeboden. Overal hetzelfde beeld, de visjes waren in no time uitverkocht, de vraag was wereldwijd groot. In Nederland kwamen ze pas begin tot half december in de handel terecht. Meerdere visvangers ontdekten de poeltjes, aangelokt door de enorme vraag en de prijs die ze ervoor kregen. Kamphol ontdekte eind januari-begin februari van dit jaar tot zijn onthutsing dat de poeltjes en de vegetatie waar de visjes in schuilen dusdanig beschadigd (platgetrapt) waren, veroorzaakt door de visvangers, dat hij vreesde dat de vegetatie onherstelbaar beschadigd zou zijn en dus het leefgebied van de Danio’s in gevaar kwam. Er werden toen nog maar dagelijks 30 tot 50 visjes gevangen… De verantwoordelijke autoriteiten besloten niet tot een vangstverbod ondanks waarschuwingen dat een endemische soort uit dreigde te sterven door vernietiging van het leefgebied en overbevissing. Er is nu wel een uitvoerverbod van de Danio’s, maar is het al te laat? Is er mogelijk nog een gebiedje ergens om Lake Inlé waar de soort ver van de bewoonde wereld rustig kan voortleven? Kan de soort zich herstellen wanneer men de overgebleven Danio’s met rust laat? Onzekerheid alom betreffende de toekomst van dit visje, het zou heel triest zijn als binnen een jaar na ontdekking deze soort in het wild uitgestorven blijkt te zijn en enkel nog bij aquarianen over de hele wereld verspreid in gevangenschap behouden blijft, het zou nogal bizar zijn dat door onze hobby een soort niet meer in het wild voor zou komen.



Geen microrasborasoort maar een nieuwe daniosoort

   
Klik voor een grote foto
Tyson R. Roberts, een wetenschapper die al jaren in Thailand woont en werkt, is de eerste die de vis uitvoerig beschrijft en tot de conclusie komt dat het ondanks dat de soort nauw verwant lijkt aan de Microrasbora rubescens en Microrasbora erythromicron, de soort een daniosoort is vanwege een aantal kenmerken zoals het aantal anaalvinstralen, de kaak, de kleine bek en de kleuring die meer bij een daniosoort horen dan bij een microrasbora. Het visje heeft de karakteristieken van een danio, toen ik de soort voor het eerst zag vond ik het ook op een danio-achtige lijken vanwege de vorm en vooral de bewegelijkheid. Het visje wordt ruim 2cm groot. Een volwassen mannetje heeft een blauw/groenige uitstraling met typische gele stippen die als ze elkaar overlappen een apart patroon vormen. Op zowel de rug-, staart-, aars- en buikvinnen zijn contrasterende rode banen te zien die geaccentueerd worden met grillig uitziende zwarte lijnen, een soort bliksemstraaltje. “Firecrackerrasbora” als benaming is dus niet zo gek gevonden. Het vrouwtje heeft een meer gelige uitstraling en het witzilver van de buik loopt meer door naar boven, verder heeft zij duidelijk minder rood op de vinnen en soms ontbreekt het rood op de aarsvin, volwassen vrouwtjes zien er ook wat voller en daardoor ovaler uit dan de mannetjes.



Het aquarium

   
Klik voor een grote foto
Vanwege de geringe afmeting van de danio’s zijn ze geschikt om in een klein aquarium te houden. Een groepje van 12 exemplaren in een aqua-40 kan makkelijk. Ze zijn erg bewegelijk en overal in de bak aanwezig met een lichte voorkeur voor de middelste waterlagen. Hou dus rekening met de samenstelling van het vissenbestand vanwege de drukte en bewegelijkheid van deze visjes. De algemene opvatting is dat de danio’s flexibel/tolerant zijn wat de waterwaarden betreft. Het water waar ze vandaan komen heeft een pH van net boven de 7. De gemiddelde watertemperatuur bedraagt 22 graden celsius. Doch worden ze ook gehouden in vrij zacht water; pH 6 en zelfs daaronder en bij een temperatuur van 26 graden celsius. De baj moet goed beplant zijn. De vissen houden zich bij onraad graag op in het dicht beplante gedeelte (in mijn bak is dat het Javamos en het Belgischgroen).



Voedsel

Toen ik mijn eerste groepje van 12 pareldanio’s aanschafte verkeerden zij in een slechte conditie. Ze waren erg vermagerd en hadden beschadigde vinnen (vooral staartvin). Met tubifex in het dieet had ik deze groep binnen 2 weken helemaal opgelapt. Het zijn alles eters; rode- en witte muggenlarven, watervlooien, fijn droogvoer en zelfs algentabletjes die voor de garnalen bestemd zijn eten ze op. Ook diepgevroren voer (muggenlarven, tubifex) eten ze erg graag.


Kweken

   
Klik voor een grote foto
De ervaringen met het kweken van de soort zijn bijzonder positief, dat heeft mede te maken met het flexibel zijn wat betreft de waterwaarden. Ik heb geprobeerd om de waterwaarden van het leefgebied van de danio’s als leidraad te nemen voor de kweek: pH iets boven de 7 en een gemiddelde watertemperatuur van 22 tot 24 graden celsius. Het gebied waar ze voorkomen ligt op1040 meter boven de zeespiegel, de gemiddelde watertemperatuur is 22 graden maar meestal ligt dat zelfs lager. Het is opmerkelijk dat er ook goede kweekresultaten zijn in Azië bij een temperatuur van 26 graden celsius bij een pH van 5,5 tot 6. Engeland had vorig jaar oktober de wereld primeur van de eerste geslaagde kweekpoging bij een temperatuur van 22 graden celsius en een pH van 7. De Engelse kwekers (Bolton Museum) kwamen er achter dat je beter een kweekgroep kon nemen dan een kweekstel. Binnen een kweekgroep wordt eerder gepaard. Het lijkt erop dat de andere dieren binnen de groep het paargedrag stimuleren. Beide manieren, kweekstel en kweekgroep, geven desondanks resultaat. Het Javamos speelt een belangrijke rol bij het kweken: als afzetsubstraat en als schuilplaats voor de jongen. De eitjes kleven slechts een beetje waardoor ze na enige beroering in de bak op de bodem terecht zullen komen. Men kan kiezen om onder het javamos een legrooster te plaatsen zodat de ouderdieren niet bij de eieren kunnen komen. De danio’s zullen het niet laten om de eitjes op te eten als ze de mogelijkheid hebben. Er is geen broedzorg geconstateerd, ik heb mijn kweekgroep nadat ik een ouderdier een vislarfje zag opeten eruit gehaald en heb mijn plan van een semipermanente kweekbak moeten bijstellen, desondanks zijn er genoeg eitjes en vislarfjes overgebleven zodat ik toch een groep overhield van ruim 40 visjes. Er kunnen per paring tot wel 30 eitjes afgezet worden (naar gelang grootte en conditie van het vrouwtje, er zijn gevallen bekend van minder eitjes per legsel). De eitjes komen na ongeveer 4 tot 5 dagen uit en na nog eens 4 dagen kunnen de vissenlarfjes zich vrijelijk bewegen door de bak. Ze zijn bij uitkomen nog net geen 3 mm. Het duurt nog enkele dagen voordat ze “los” komen van de bodem. Liquifry-1 is het opfokvoer wat ze de komende 2 tot 3 weken nodig hebben. Hierna kan er overgestapt worden naar artemia-naupliën, gewelde artemia-eitjes en zeer fijn droogvoer (ik gebruik Duplarin-s). Na ongeveer 10 weken kan men al vrouwtjes van mannetjes onderscheiden en na 12 weken zijn ze volwassen.




Het hele artikel is door Glenn gemaakt
Je kunt op ons forum reageren op dit artikel.